Aanvulling: Sint-Menas

Sint-Menas-fles (Byzantijns Museum, Athene)

In Het visioen van Constantijn wijzen Vincent Hunink en ik op de mensen die Christus vereerden en tegelijk de heidense goden in ere hielden. Archeologisch zijn ze niet te onderscheiden van christenen die zich bedienden van heidense symbolen, zoals op deze fles uit de vierde eeuw, die ik ooit heb gefotografeerd in het onvolprezen Byzantijnse Museum van Athene.

Afgebeeld is een zogeheten orante, iemand die aan het bidden is. Het bordje van het museum meldt dat het gaat om een vrouw, maar ik beken dat ik niet zo snel herken waarom dat zo zou zijn. De ruim vallende mantel kan door iedereen zo zijn gedragen en de blote benen suggereren eerder een man dan een vrouw. Maar ik kan me vergissen. Hoe dat ook zij, een orante is een gebruikelijke afbeelding. Het leuke zijn de twee figuren links en rechts, die wel wat lijken op stegosaurussen maar volgens het museumbordje jakhalzen zijn, het dier dat was gewijd aan de Egyptische dodengod Anubis.

De egyptologe die ik raadpleegde, koesterde hierbij lichte twijfel, maar attendeerde me op allerlei afbeeldingen van Harpokrates, die op soortgelijke wijze wordt afgebeeld terwijl hij slangen, schorpioenen, leeuwen, berggeiten of krokodillen vasthoudt. Of de hele veestapel tegelijk. Als de vergelijking zuiver is, is niet een vrouw afgebeeld met twee jakhalzen, maar Sint-Menas zelf tussen twee wilde dieren.

Hoe dit alles ook zij, deze combinatie van beelden past goed bij wat we nog meer weten over de godsdienst in het Egypte van de vierde eeuw. Oeroude tempels ruimden plaats in voor Christus en veranderden in kerken. Beeldjes van Isis die Horus de borst geeft (“Isis lactans” in jargon) stonden zeker model voor de latere madonna’s, al ken ik daarvan geen voorbeelden uit de Late Oudheid.

Monniken beantwoordden schriftelijk gestelde vragen, zoals de Egyptische orakels altijd hadden gedaan. Ook de aloude toverspreuken bleven in gebruik, zij het dat de gebruikers deze wat verlengden door aan de bestaande oud-Egyptische, Griekse, joodse en Romeinse elementen nog wat christelijke hocuspocus toe te voegen. Meer exclusivistische christenen, die van mening waren dat de verering van Christus uitsloot dat je geloofde in andere bovennatuurlijke krachten, moesten er vanzelfsprekend niets van hebben, maar zij zouden pas later de wind in de zeilen krijgen.

De oeroude gewoonte bij een heiligdom amuletten te kopen en die te dragen om het kwaad af te weren, bleef eveneens bestaan. Sommige monniken voorzagen in hun levensonderhoud door deze beschermende voorwerpen te maken en verkopen. Maakten ze winst, dan was die gereserveerd voor het onderhoud van het graf van deze of gene heilige. Menigeen reisde naar zulke plaatsen, omdat de overledene een voorspraak voor de pelgrim kon zijn en genezing kon bewerkstelligen. Het was algemeen bekend dat op de laatantieke religieuze markt de christenen de beste genezingen hadden te bieden.

Vooral de heilige Menas, wiens graf twee dagen ten zuidwesten van Alexandrië werd aangewezen, was populair. Hij schonk zijn zegen vrij letterlijk – namelijk in de vorm van water dat in veldflesjes als de bovenstaande werd verkocht. Je kon Menas’ bijstand dus meenemen en de flesjes zijn gevonden in de hele christelijke wereld, van Dongola in Nubië tot Samarkand in Centraal-Azië tot in het verre Brittannië aan toe. Dit was een heidens gebruik en de afbeelding van Anubis’ jakhalzen is dus niet zo vreemd.

Zoals ik al zei: archeologisch zijn de heidenen die, temidden van hun goden, ook Christus vereerden, niet te onderscheiden van christenen die zich bedienden van heidense symbolen. Het omgekeerde is ook waar: christenen die zich bedienden van heidense symbolen zijn niet te onderscheiden van heidenen die Christus of Sint-Menas “erbij namen”. De grens tussen heidendom en christendom is veel vloeiender en bekeringen waren veel minder radicaal dan wel wordt aangenomen.

Advertenties