De toespraak van Vincent

Vincent aan het woord (foto Paul te Stroete)

[Eergisteren was de presentatie van Het visioen van Constantijn in het Rijksmuseum van Oudheden. Classicus en vertaler Vincent Hunink vertelde over het plezier dat hij had beleefd aan het maken van het boek.]

Hooggeachte dames en heren, zeer gewaardeerd gehoor,

In dit imposante museum, waar reeds zovele indrukwekkende en belangrijke tentoonstellingen hebben plaatsgevonden in een glorierijke reeks van decennia, voor zulk een omvangrijk en illuster gehoor, dat geen genoegen kan nemen met middelmatige sprekers, en ten overstaan van u, zeer geleerde en internationaal fameuze onderzoekers en auteurs, hier te mogen staan, hier te mogen spreken over een alleszins bescheiden boekwerk, dat, hooggeachte toehoorders, maakt mij klein en stemt mij alleszins nederig.

Want wat kan ik u vertellen dat u niet al weet of hebt vernomen? Wat dat u niet diep in uw hart reeds bevroedt en sedert jaren met u meedraagt?

Mijn geringe talent en alleszins beperkt intellect, en bovenal, mijn nietige, verwaarloosbare spreekvermogen laten mij in dezen nagenoeg geen hoop. Mijn denken faalt, mijn taal schiet tekort om u op passende wijze hier iets te vertellen.

Toch wil ik dit moment aangrijpen en de gelegenheid niet achteloos en dadenloos voorbij laten gaan. Ja, wij zijn hier immers bijeen om de publicatie van dit boek te vieren, en hoewel wijzelf slechts op de schouders mogen staan van anderen, die veel groter waren en oneindig getalenteerder, kunnen wij vandaag wellicht toch iets te berde brengen dat, hoe klein ook, in enigerlei mate recht kan doen aan de importantie van dit boek.

Pardon, beste luisteraars, ik liet me even gaan. Ik heb eventjes een toon aangeslagen die de feestredenaar van 310 wellicht vandaag, hier, bij ons, zou kiezen. Verheven woorden, ronkende zinnen, lange omtrekkende bewegingen in fraaie maar ook versluierende taal…

Het is een genre van speeches dat in onze cultuur vrijwel niet bestaat. Ook wie zich richt tot een keizer of koning, zoals de redenaar van 310 die zich richtte tot Constantijn, zal een eenvoudige toon aanslaan. In het lage polderland Nederland is het al gauw ‘doe maar gewoon, da’s al gek genoeg’. Geen praatjes, geen fratsen. ‘Zeg nou maar wat je bedoelt, zeg maar waar het op staat’. In Nederland is eerlijkheid vaak botheid, en geldt botheid soms als deugd.

Een van de charmes van het werken aan de speech in dit boek is dat ik me daarin eens kon uitleven. Nu wél eens het grote gebaar, het panoramische beeld, de fijne cadans van een soepel voortgolvende zinsconstructie.

En het was ook spannend om te zien hoe de lofredenaar zou omgaan met punten van kritiek. De keizer tot wie hij zich richt had bijvoorbeeld een gevoelige nederlaag geleden bij Marseille. Zijn mensen hadden, heel onbenullig, te korte ladders om de muren te beklimmen. Ze werden dus teruggeslagen en de keizer had zich moeten terugtrekken. Hoe maak je van zo’n debacle iets loffelijks? Wel, zo:

… meteen bij uw aankomst, Majesteit, meteen bij de stormaanval van uw leger, zouden in datzelfde Marseille noch de hoge muren, noch de talrijke torens, noch de gesteldheid van het terrein enige vertraging hebben opgeleverd voor onmiddellijke inname van haven en stad – als U die had gewild. Ja, met zo veel zelfvertrouwen waren de soldaten de gehele muur te lijf gegaan da t zij ongetwijfeld terstond boven waren aangekomen, ware het niet dat bij het vervaardigen van ladders de hoogte van de muur hun schattende ogen had bedrogen. Maar ook zo, met die ladders van teleurstellende lengte, vulden zij het ontbrekende deel van de klim zelf aan: velen strekten zich uit, werden op schouders geheven van volgenden, haakten hun handen al vast in de holten tussen kantelen. En geen spoor van vrees bij deze wraakmanoeuvres: het leek hun geen beklimming van een muur maar een gevecht op effen terrein.

Maar o, wat een uitzonderlijk blijk van goedheid gaf U ten beste, hooggeachte Constantijn, wat hield U zich ook te midden van wapens aan uw plichten! U gaf het teken voor de aftocht, U stelde de zege uit, om zo de mogelijkheid te houden tot vergiffenis voor allen. U wilde niet dat de soldaten in hun woede wreder daden zouden bedrijven dan voor uw clemente natuur te verdragen was.

Zeker, met de zorg van een voortreffelijk keizer hebt U aldus ruimte gecreëerd voor soldaten die tot ontrouw waren misleid. Zij kregen tijd voor berouw en konden uit eigen beweging vragen om vergeving. Wij evenwel, die uw allermildste gevoelens bezien (want niets is zo helder zichtbaar als de goedertierenheid in uw hart), wij begrijpen dat U zo één persoon hebt gespaard: de man die, had men hem bij zo’n inval gegrepen, door niemand van het zwaard te redden was geweest. Aan uw goedheid heeft het niet gelegen, Majesteit!

Geeft u toe, dit is topkwaliteit. Je merkt haast niet meer dat Constantijn hier een flop had veroorzaakt!

Voor mij was deze retorische exercitie eigenlijk het leukst. Want anders dan Jona, en ik vermoed: anders dan u, kan het mij eigenlijk niet zoveel schelen wat er precies gebeurd is in het verleden, alleen hoe men daar in taal een vorm aan geeft.

Gelukkig kunnen Jona en ik elkaar juist op dat punt ook weer vinden. Het visioen van Constantijn is namelijk een heel talig boek. Niet alleen doordat het gebruik maakt van taal, dat spreekt uiteraard vanzelf (al heb je ook ‘plaatjesboeken’), maar meer nog omdat het de speurtocht die we erin ondernemen heel erg is gebaseerd op taal, op woorden.

Het is, ook voor mij, fascinerend, dat het hele verhaal van die bekering van Constantijn in de kern teruggaat op een passage uit die lofrede van 310. Misschien mag ik u die passage ook even voorlezen. Speciaal op verzoek van Jona geef ik u er ook het Latijn bij. Twijfelt u vooral niet aan uzelf: dit Latijn is behoorlijk moeilijk!

(21) [1] En dat moeten wij ons altijd wensen: mogen uw voorspoed en successen zelfs groter zijn dan waar U om bidt. Want al onze hoop leggen wij in de schoot van uw Majesteit en wij wensen uw reële alomtegenwoordigheid, alsof die ons gegeven kan worden.

[2] Want kijk, U was maar eventjes bij de grens vandaan, of de barbaarse trouweloosheid begon zich al breed te maken en terreur te zaaien. Natuurlijk met vragen als: wanneer komt hij aan? Wanneer is zijn zege? Wanneer voert hij zijn uitgeputte leger terug? Maar bij het plotselinge nieuws van uw terugkeer is men stomverwonderd stilgevallen, zodat uw gelofte de staat te redden U niet meer zorgen heeft gebracht dan die van een enkele nacht.

[3] Want daags nadat het nieuws was aangekomen en U de marsinspanningen had verdubbeld, vernam U dat heel die stormvloed was gaan liggen, dat de rust die U had achtergelaten geheel was wedergekeerd. En juist hierin had Fortuna de hand. Zij bepaalde dat de gelukkige keer die uw daden hadden genomen U eraan herinnerde de onsterfelijke Goden te brengen wat U had beloofd, en wel precies op de plaats waar U was afgebogen naar de mooiste tempel op aarde, of nee: naar de reëel aanwezige Godheid, zoals U hebt gezien.

[4] Want ja, U hebt gezien, geloof ik, hooggeachte Constantijn, hoe uw Apollo onder begeleiding van Victoria U lauwerkransen presenteerde, stuk voor stuk goed als voorteken van dertig jaren. (Dat is namelijk het aantal mensengeneraties dat aan U beslist is verschuldigd, nog boven de ouderdom van Nestor.)

[5] Maar wat zeg ik “geloof ik”? U hebt gezien, U hebt Uzelf herkend in de gedaante van hem aan wie volgens de goddelijke gezangen der dichters het koningschap over de gehele wereld toekomt.

[6] En dat is volgens mij nu eindelijk uitgekomen: evenals hij bent U jeugdig en vreugdevol, een brenger van heil en drager van stralende schoonheid, Majesteit!

****

[1] Quod quidem nobis semper optandum est ut prosperos habeas etiam ultra tua vota successus, qui omnem spem in gremio maiestatis tuae ponimus et tuam ubique praesentiam, quasi dari possit, expetimus.

[2] Ecce enim, dum a limite paulisper abscesseras, quibus se terroribus barbarorum perfidia iactaverat, – scilicet dum sibi illa proponunt: quando perveniet? quando vincet? quando fessum reducet exercitum? – cum repente audito reditu tuo velut attoniti conciderunt, ne tuum pro re publica votum amplius quam unius noctis cura tetigisset.

[3] Postridie enim quam accepto illo nuntio geminatum itineris laborem susceperas, omnes fluctus resedisse, omnem quam reliqueras tranquillitatem redisse didicisti, ipsa hoc sic ordinante Fortuna ut te ibi rerum tuarum felicitas admoneret dis immortalibus ferre quae voveras, ubi deflexisses ad templum toto orbe pulcherrimum, immo ad praesentem, ut vidisti, deum.

[4] Vidisti enim, credo, Constantine, Apollinem tuum comitante Victoria coronas tibi laureas offerentem, quae tricenum singulae ferunt omen annorum. Hic est enim humanarum numerus aetatum quae tibi utique debentur ultra Pyliam senectutem.

[5] Et immo quid dico «credo»? Vidisti teque in illius specie recognovisti, cui totius mundi regna deberi vatum carmina divina cecinerunt.

[6] Quod ego nunc demum arbitror contigisse, cum tu sis, ut ille, iuvenis et laetus et salutifer et pulcherrimus, imperator.

Dit prachtige proza steekt toch wel schril af naast het karige, ja uitgesproken lelijke Grieks van Eusebius, wiens teksten veel invloed hebben gehad om de hele puzzel van Constantijn’s bekering. Neem nu deze cruciale passage uit zijn Leven van Constantijn.

Toen de keizer … bad en indringend smeekte kreeg hij een hoogst wonderbaarlijk goddelijk teken. Als een ander daarover vertelde zou het misschien niet gemakkelijk te aanvaarden zijn, maar nu was het de onoverwinnelijke keizer zelf: hij berichtte erover aan de schrijver dezes, geruime tijd nadien, toen ik met hem kennis had mogen maken en met hem mocht omgaan. Daarbij bekrachtigde hij zijn uitspraken met een plechtige eed. Wie zou aan zo’n relaas geen geloof hechten?

Rond twaalf uur ’s middags, sprak hij, even over de helft van de dag, zag hij met eigen ogen aan de hemel boven de zon een zegeteken van licht. Het had de vorm van een kruis met daaronder de woorden: ‘Overwin hierdoor’. Dat tafereel had hem verbijsterd, en ook heel het leger dat hem op die expeditie volgde en het wonderteken waarnam. Ja, hij had zich afgevraagd, zei hij, wat die verschijning te betekenen had. Daarover peinsde en piekerde hij zo lang dat het nacht werd voor hij er erg in had. Toen verscheen hem in zijn slaap de Christus van God, met het teken dat aan de hemel was verschenen. En Hij gaf aan de keizer opdracht het aan de hemel geziene teken na te maken en te gebruiken als bescherming tegen vijandelijke aanvallen.

Bij dageraad stond de keizer op en vertelde het geheim aan zijn vrienden. Vervolgens liet hij goudsmeden en bewerkers van edelstenen komen, ging in hun midden zitten en gaf hun aan hoe het teken eruit zag, met daarbij de opdracht het na te maken in goud en edelstenen. Het resultaat heb ik met eigen ogen mogen aanschouwen: God vergunde mij ook dit. Het zag er als volgt uit.

Een lange, met goud beklede speer was met een dwarsbalk tot een kruis gemaakt. Helemaal bovenop was een krans aangebracht van edelstenen en goud, met daarop twee letters ter aanduiding van de naam Christus, als symbool van zijn benaming van heiland: de beginletters Chi en Rho, de tweede middenin doorkruist door de eerste. (Dat symbool droeg de keizer nadien altijd op zijn helm.) Van de dwarsbalk hing een linnen doek neer, een vorstelijk weefsel met daarop een keur van fraai fonkelende edelstenen en een complete laag goud, onzegbaar mooi om naar te kijken. Dit stuk stof aan de dwarsbalk had dezelfde afmetingen in hoogte en breedte. De rechtopstaande lans was aan de onderkant heel lang en droeg aan de bovenkant, onder het zegeteken van het kruis, op de rand van het beschreven weefsel, een afbeelding in goud van de bij God beminde keizer, als borstbeeld, en evenzo van zijn kinderen.

Dit heilzame teken heeft de keizer voortdurend gebruikt als afweer tegen alle tegenstrevende en vijandelijke krachten en hij verordonneerde dat kopieën ervan werden uitgedragen voor al zijn legers.

Helder, grotendeels dan toch, deze tekst. Zakelijk. Nuttig. Maar voor een vertaler is er weinig eer aan te behalen. Ik was blij dat Jona me niet had gevraagd een heel boek van Eusebius te vertalen, want dat had ik niet opgebracht.

Nee, dan een lofrede uit 310! Misschien mag ik u tot slot nog even daarnaar terugvoeren. Halverwege de speech, dus lang vóór het heidense ‘visioen’, weidt de redenaar even uit over de vrede in het rijk, met name in ‘ons’ gebied bij de Rijn. Meteen koppelt hij daaraan vast dat Constantijn wel zeer hard kan optreden. We mogen niet denken dat hij een softie of vredesactivist is!

(11) Vandaar dan, Majesteit, de prachtige vrede die wij thans genieten. Want het is niet meer de kolkende stroom van de Rijn die ons beschut, maar de afschrikking die uitgaat van uw naam. De rivier mag droogvallen door zomerhitte of verharden door bevriezing, in beide gevallen waagt de vijand zich daarop niet. De natuur sluit niets af met een werkelijk onoverkomelijke wal. Overal dringt menselijke waaghalzerij door, zolang er enige hoop resteert voor een poging. De enige onneembare muur trekt men op met een reputatie van moed.

De Franken weten dat zij de Rijn kunnen oversteken. Gaarne zult U hen opvangen, maar dan gaan zij hun ondergang tegemoet. Hopen op de zege of op genade kunnen zij niet. Wat het lot is dat hun wacht maken zij op uit de gruwelijke dood van hun koningen, en daarom houden zij zich verre van enigerlei idee tot oversteek van de rivier. Sterker nog: zij zijn begonnen aan een brug, maar vinden dat een hopeloze zaak. – Waar is nu hun woestheid? Waar die altijd trouweloze onstandvastigheid? Intussen durven jullie zelfs niet meer op afstand van de Rijn te wonen en drinken jullie amper veilig uit rivieren in het binnenland! – Omgekeerd vormt de regelmatig aangelegde reeks van forten aan onze zijde meer een sieraad voor de Rijksgrens dan een bescherming. De eens zo geduchte rivieroever wordt beploegd door ongewapende boeren en het zijn onze kudden die zich thans in beide rivierarmen drenken.

Dit, hooggeachte Constantijn, is uw dagelijkse, eeuwigdurende  overwinning vanwege de executie van Ascaric en Merogaisus. Een zege die wij hoger moeten aanslaan dan alle ooit gunstig verlopen slagen. Op het slagveld wint men ééns, een voorbeeld blijft voor immer staan. Van een eigen nederlaag, al zijn er veel doden, weet de massa niets. De kortste route om een vijand volledig te verslaan? Ruim de leiders op.

(12) Maar U wilde de barbarenfurie breken op alle mogelijke manieren, want de vijand mocht niet enkel droefenis voelen over de executie van zijn vorsten. Dat bereikte U, onoverwinnelijke keizer, met een verwoestende expeditie in het land van de Bructeri. Daarbij was uw eerste strategie om het leger onverwacht over te zetten en een verrassingsaanval uit te voeren. Niet dat U geen vertrouwen had in openlijke strijd: U wilde niets liever dan directe confrontatie! Maar zo zou die stam, die zich steeds weer terugtrekt in wouden en moerassen en zo de oorlogvoering belemmert, geen tijd hebben om te vluchten.

Het resultaat? Ontelbare slachtoffers! Zeer veel krijgsgevangenen! Al wat er aan vee was is afgevoerd of afgeslacht, alle nederzettingen zijn in vlammen opgegaan! En de volwassenen die men in handen kreeg waren onbruikbaar als soldaten, want te gluiperig, en tevens als slaven, want te ruig en woest. Men droeg hen voor bestraffing over aan de arena, met massa’s tegelijk: de wilde beesten konden het niet aan… Dát is, Majesteit, bouwen op eigen deugd en geluk. Dát is: geen vrede kopen door de vijand te sparen, maar de zege zoeken door hem uit te dagen.

Kijk, dames en heren, zo hoort het. Ik word van dit soort teksten altijd erg vrolijk.

Ik hoop dat u het ethische protest, het Amnesty International gevoel, even opzij kunt zetten, en voor een paar pagina’s wilt genieten van dit schallende, knallende proza.

Veel dank aan Jona, die mij met deze tekst in contact bracht. We hadden een plezierige samenwerking, misschien juist doordat we onderling zo sterk verschillen van karakter en beroepsmatige interesse. Wat ons verbond was: de taal, het wetenschappelijke zoekwerk, en ook: snel en efficiënt werken. Dat is plezierig! Ik dank ook de uitgeverij voor de mooie boekverzorging, en het museum voor het prettige onthaal hier.

Dank ook aan u, geacht publiek, dat u deze on-hollandsche, retorische storm hier over u heen hebt laten gaan…

–  Vincent Hunink

Advertenties