Wat zijn heidenen?

Munt met een afbeelding van de Romeinse god Janus

De bekering van Constantijn betekende – wat er ook gebeurd moge zijn – het einde van het heidendom. Maar wie waren die heidenen eigenlijk? Het begrip komt uit de joods-christelijke wereld, waarin alle niet-medegelovigen over één kam werden geschoren, hoewel de niet-joden en niet-christenen zichzelf nooit definieerden als heidenen.

Ze vereerden de goden van hun eigen stad en van de Romeinse staat. Ook betoonden ze eer aan de keizer. Sommige volken hadden eigen godheden – zo hadden de Egyptenaren hun Isis, de Galliërs hun Grannus en de Bataven hun Magusanus – en daarnaast hadden bepaalde beroepsgroepen eigen culten. Over dit bonte geheel werd verschillend gedacht, maar niemand noemde zichzelf heiden. In Het visioen van Constantijn gebruiken we het woord alleen omdat het nu eenmaal ingeburgerd is. Dat bewijst overigens eens te meer in welke mate het in de vierde eeuw doorgebroken christendom het latere denken blijft beïnvloeden.

Heidendom is niet het enige joods-christelijke concept dat nog in gebruik is. Een ander is polytheïsme: de heidenen zouden in meer dan één god hebben geloofd. Onwaar is dit niet, maar het meergodendom was wel onderhevig aan verandering. In de vierde eeuw waren het niet alleen de filosofen die meenden dat de vele goden manifestaties waren van één ware god. Omgekeerd waren lang niet alle joden en christenen zuivere monotheïsten. Verschillende teksten noemen christelijke gelovigen die de realiteit erkennen van de hogere machten die anderen beschouwden als goden. Menig christen beschouwde die machten als vervaarlijke demonen. Zeker, die waren machteloos tegenover Christus, maar je kon beter voorzichtig zijn met bijvoorbeeld heidens offervlees.

Nog zo’n vraag: hoe zag het christendom in de vierde eeuw er eigenlijk uit? De christelijke bronnen, voor een belangrijk deel geschreven door bisschoppen en andere beroepsgelovigen, wekken de indruk dat het gaat om een exclusieve cultus: wie zich liet dopen mocht de oude goden niet langer vereren en omgekeerd vereerden de heidenen, wie dat ook waren, Christus niet. Dit is het dominante beeld gebleven: tot in onze tijd wordt het vreemd gevonden als iemand én christen én hindoe is. In de Oudheid sprak dit echter bepaald niet vanzelf. Een voorbeeld is de Romeinse officier Bacurius, die leefde aan het einde van de vierde eeuw, toen het heidendom al was geïmplodeerd en het christendom de dominante religie was geworden. De christelijke auteur Rufinus beschouwde deze Bacurius als christen, terwijl de heidense auteur Libanios meende dat de man de oude goden in ere hield. Beiden waren met hem bevriend en er is geen reden aan te nemen dat een van hen liegt. De officier moet zich beleefd hebben aangepast aan zijn gastheren: in het ene gezelschap zal hij het Onzevader hebben gebeden en in het andere tot de huisgoden.

Wie zou er representatiever zijn: de exclusivistische auteurs van de christelijke bronnen of de hoffelijke Bacurius? De vraag is verwant met een andere. Het christendom van de tweede en derde eeuw was heel pluriform en de diverse stromingen claimden allemaal dat alleen zij het ware geloof hadden. Tijdens het Concilie van Nikaia legden de bisschoppen een officiële leer vast, maar daarmee kwam nog geen einde aan de discussies. In feite kristalliseerde het christendom zich pas uit na Constantijn. Zo komt de vraag op waartoe hij zich eigenlijk bekeerde.

Advertenties