De joden van Keulen

Olielampje (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

De aanwezigheid van joden in het middeleeuwse Rijnland is een oude bekende. Steden als Keulen, Bingen, Mainz, Worms en Spiers hadden grote joodse gemeenschappen en dat geldt ook voor Trier en Frankfurt. Als kooplieden genoten de joden al sinds de Karolingische tijd vorstelijke bescherming.

Ze waren echter niet de eersten. Het bovenstaande olielampje, met daarop een menora, is opgegraven in Romeins Keulen en tegenwoordig te zien in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen. Ook keizer Constantijn kreeg met hen te maken. De Codex Theodosianus, een grote collectie laatantieke wetten, bevat een door Constantijn geschreven rescript dat de Keulse joden de stedelijke ambten mogen bekleden (Codex Theodosianus 16.8.3).

Voor u denkt dat Constantijn hier een einde maakte aan een discriminerende bepaling: er is een andere interpretatie denkbaar. De leden van de gemeenteraad en de magistraten draaiden op voor de kosten van het openbaar bestuur en het is denkbaar dat iemand heeft geprobeerd zich eraan te onttrekken. We weten het niet. De passage bewijst echter wel dat er rond 330 n.Chr. al joden leefden in Keulen.

Advertenties