Het visioen van Constantijn (3)

Constantijn (munt uit Museum Valkhof, Nijmegen)

Eén muisklik en het manuscript van Het visioen van Constantijn ging, gisteren rond kwart voor twee, naar uitgeverij Omniboek. Het had er nog even om gehangen of ik de deadline zou halen, want een dag ervoor had ik ineens een klus tussendoor gekregen, maar uiteindelijk leverde ik de tekst in op de afgesproken dag. Het is nu in handen van de vormgever.

Over een tijdje zullen mijn coauteur Vincent Hunink en ik proeven moeten gaan lezen. Dat is het moment waarop ik zal zien dat ik oliebollen van zinnen heb gedraaid en redenaties heb opgehangen die voor mijzelf perfect helder waren, maar voor anderen totaal onbegrijpelijk. Dergelijke stommiteiten haal je dan weg en als je het boek dan eindelijk in handen hebt, is het allereerste wat je ziet een fout die je over het hoofd zag. Zo gaat het namelijk altijd. Het is een onhebbelijke gewoonte van verborgen gebreken dat ze nooit verborgen blijven.

Het boek heet Het visioen van Constantijn en geen Constantijn. Het is dus geen biografie. Centraal staat de redevoering waarin we lezen dat de goden Apollo en Victoria Constantijn kransen aanreikten. De vraag is hoe dit toch heidense beeld kon veranderen in een christelijke legende. Het antwoord is natuurlijk niet heel moeilijk te raden: omdat de man zelf veranderde. Hoe hij zich tot christen ontwikkelde is een ander verhaal.

Het zou aardig zijn als de in Het visioen van Constantijn geboden reconstructie van deze ontwikkeling juist was, maar het boek heeft een ander doel: te tonen dat de puzzel maar beperkt oplosbaar is. De oudheidkundige die het grote publiek alleen conclusies presenteert, biedt u schijnzekerheid en verkoopt knollen voor citroenen. Ik heb willen tonen dat wie de Oudheid bestudeert, zelfs als het gaat om een belangrijke gebeurtenis in een goed gedocumenteerde periode, wordt geconfronteerd met allerlei complicaties. Laten zien wat niet en wel valt te weten, dát is de ambitie van dit boek.

***

Op de achtergrond speelt de problematiek die de lezers van deze blog kennen: mijn bezorgdheid over de toekomst van de humaniora. Het doel daarvan is dat je je eigen ideeën beter leert doorgronden door ze te spiegelen aan die uit het verleden (of uit andere culturen). De reconstructie van die ideeën veronderstelt hierbij een zekere mate van professionaliteit, die wordt gegarandeerd door een goede opleiding, waarin je de problemen leert herkennen.

Die opleidingen zijn in de jaren tachtig echter bekort tot onder het noodzakelijke minimum – en de gevolgen dienen zich aan. Tegenwoordig willen sommigen de donjon in Nijmegen of het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam herbouwen, terwijl activisten het liefst alles weghalen wat hun niet aanstaat.  Het verleden is gereduceerd tot iets waar je je eigen verlangens aan oplegt. Het is slechts een collectie van aangename, nooit verontrustende ditjes en datjes. Geschiedenis is leuk voor vijf minuten zendtijd op TV of als inleiding tot een artikel dat gaat over een ander onderwerp (“de oude Grieken hadden al…”), maar het verleden is niet langer relevant om een verstandiger mens van te worden.

Begrijp me niet verkeerd: er zijn andere belangen dan dat je je geest kunt slijpen aan het verleden. Maar de beleving ervan, de esthetiek en de amusementswaarde krijgen momenteel wel érg veel nadruk. Zo komen we onvoldoende toe aan het doorgronden van onze eigen ideeën, verabsoluteren we het eigen gelijk en zijn we beland in het huidige hysterische openbare debat.

***

Dit is niet wie we zijn. Het is zaak de humaniora te herstellen. In dit boek heb ik één concreet misverstand over de omgang met het verleden willen behandelen: dat je bronnen zomaar zou kunnen lezen. Ik schrijf in de epiloog:

Een antieke bron is het best te beschouwen als één kant van een gesprek waarvan we de andere kant niet horen – een gesprek dat bovendien nooit bestemd is geweest om door eenentwintigste-eeuwers te worden beluisterd. Elke bron veronderstelt een situatie die moet worden gereconstrueerd voordat we überhaupt kunnen gaan lezen. Dit betekent heel simpel dat wie een antieke tekst bestudeert vooraf al een beeld moet hebben van wat onuitgesproken blijft. Het toenmalige wereldbeeld, de gedeelde waarden, de aannames. Pas als je daar iets van weet, kun je de tekst met vrucht lezen.

Dat ik dit nu schrijf, is ingegeven door de ervaring dat archeologen op dit punt weleens te kort door de bocht gaan. Ik heb ooit op één middag twee sprekers gehoord die de bewering van Tacitus dat de Romeinen in Germania Inferior duizend schepen bouwden om troepen te verplaatsen letterlijk namen en niet herkenden als een verwijzing naar de Ilias van Homeros. Op deze blog heb ik weleens geattendeerd op DNA-onderzoekers  die een bijbelse hyperbool letterlijk namen.

Of neem de klimaatwetenschappers die meenden een van de Tien Plagen van Egypte, dat alle water in bloed veranderde, te kunnen identificeren met een door hen opgespoorde algengroei. Ze hadden niet in de gaten dat ze één en dezelfde tekst – het Bijbelboek Exodus dus – tegelijkertijd lazen op twee verschillende manieren. De bewering dat de Nijl in bloed was veranderd, namen ze serieus. De in dezelfde tekst vermelde datering, die niet paste in het plaatje, negeerden ze. Een verklaring waarom de Egyptenaren en de joodse samenstellers van de Bijbel, die verschillende woorden hadden voor algen en bloed, niet gewoon “algengroei” hadden geschreven, ontbrak eveneens. Dit is kwakgeschiedenis van het zuiverste water, maar wel uitgedragen door wetenschappers.

Ik noem dit voorbeeld omdat het de media haalde, omdat dit soort berichten het publieke beeld van de Oudheid bepalen en omdat dit een zinvoller voorlichting over de oude wereld bemoeilijkt. Bot samengevat: bèta-wetenschappers die de bronnenproblematiek niet herkennen, hebben grote invloed en beschadigen zo de publieke perceptie van een alfa-wetenschap. Waarbij ik meteen aanteken dat oudheidkundigen ook verrotte weinig doen om dit tegen te gaan en hun gebrek aan publieke zichtbaarheid grotendeels hebben te wijten aan niemand anders dan zichzelf.

***

Ik noem met opzet de omgang met wonderverhalen omdat ik ook in Het visioen van Constantijn schrijf over een wonder: Apollo en Victoria die kransen aanbieden aan Constantijn. Het wemelt in de antieke literatuur van de genezingen, de voortekens, de visioenen. Dit boek wil tonen hoe een oudheidkundige daarmee omgaat. Dat is niet: door de tekst zomaar te geloven, de bronnen niet goed te bestuderen en een natuurverschijnsel te zoeken dat er in de verte op lijkt – zoals de bizarre hypothese dat Constantijn een in Italië neergekomen meteoor heeft gezien, waarbij men gemakshalve over het hoofd zag dat de bronnen het visioen vermelden in Gallië, niet in Italië.

In Het visioen van Constantijn leest u eerst over de situatie waarin de toespraak werd gehouden, volgt dan de vertaalde toespraak, leest u vervolgens over de wijze waarop die is ontvangen, verneemt u daarna hoe Constantijn veranderde en komt tot slot aan de orde hoe de keizer de oorspronkelijke ervaring anders is gaan interpreteren. En passant wijs ik aan waar de complicaties liggen.

Kortom, hoewel ik de problemen niet kan oplossen, kan ik u tonen waar ze zitten. Ik zou Het visioen van Constantijn geen experimentele tekst willen noemen maar het is wel een (voor zover ik kan overzien) zeldzame poging te tonen wat de oudheidkunde eigenlijk is als wetenschap.

***

Oké, ik was met het blogstukje van vandaag wat lang van stof. En dan heb ik het belangrijkste nog tot het laatste bewaard. Dat Constantijn een visioen had gehad, werd destijds voor het eerst aan den volke gepresenteerd in een lofrede. Voor zulke toespraken bestonden allerlei genre-conventies en de waarheid gebiedt te zeggen dat die slecht aansluiten op de directheid waarmee Hollanders zeggen waar het op staat. Het is die vreemdheid die de lofrede maakt tot een verdraaid aardige tekst, geschreven door een spreker vol esprit. Vincent Hunink heeft de rede vertaald in fonkelend Nederlands. Alleen al daarom moet u dit boek lezen.

U bestelt het hier en de opbrengst, zo kan ik u verklappen, is bedoeld voor twee projecten om de Oudheid beter over het voetlicht te krijgen: een stichting die meer vertalingen op de markt wil brengen en een project dat binnenkort 80.000 digitale foto’s rechtenvrij zal ontsluiten. Kortom, koop dat boek. Of liever nog, lees het.

Advertenties