Christenvervolging? (1)

Vier jaar geleden las ik in de Huffington Post een artikel dat even goed bedoeld als verbijsterend was. Drie godsdienstwetenschappers wezen erop dat de Bijbel nergens het huwelijk definieert als verbintenis tussen een man en een vrouw, waaraan ze de conclusie verbonden dat er dus geen bijbelse bezwaren konden zijn tegen het openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen. Een sympathieke conclusie, daar niet van, maar niet op basis van dit argument. Iedereen ging er in het oude jodendom namelijk van uit dat alleen een man en een vrouw konden trouwen. Zoiets hoefde niet op papier te worden gezet. De antieke teksten laten wel meer zaken onvermeld. De Bijbel biedt bijvoorbeeld ook nergens de taakomschrijving van een messias.

Dat wisten die drie godsdienstwetenschappers natuurlijk ook. Ze moeten hun studenten hebben uitgelegd dat je, bij elke tekst die je begint te lezen, eerst behoort na te denken over dat wat de auteurs bekend veronderstelden. Wat me verbijsterde was dat ze dit inzicht ondergeschikt maakten aan een op dat moment actueel politiek doel en zo alle vooroordelen bevestigden als zouden de humaniora een linkse hobby zijn (wat “links” ook moge betekenen). Ik dacht dat het een incident was, maar er lijkt echt iets grondig mis in de Amerikaanse humanities. Ik voel althans dezelfde ergernis bij het boek van Candida Moss over de christenvervolgingen, The Myth of Persecution. How Early Christians Invented a Story of Martyrdom. De politieke boodschap aan de Amerikaanse christenen ligt er te dik bovenop.

Niet dat Moss onzin schrijft. Er valt wel wat op dit boek aan te merken, maar het boek is op zich niet slecht. Zo wijst ze erop dat het martelaarschap, zelfs als er in de voorchristelijke tijd geen woord voor bestond, in de oude wereld niet uitzonderlijk was. Er waren wel meer mensen die de dood aanvaardden als het alternatief was dat je bepaalde waarden verloochende. Het klassieke voorbeeld is Sokrates en in de joodse cultuur bieden de Makkabeeënboeken nog meer voorbeelden.

Dat de christenen hun beschrijvingen van de eerste martelaren modelleerden op deze oudere teksten, is bekend. Eveneens bekend is dat maar een handvol verhalen uit de twee eerste eeuwen van het christendom de toets der historische kritiek kunnen doorstaan: Moss behandelt alleen Polykarpos van Smyrna, Ptolemaeus en Lucius in Rome, Justinus Martyr en de zijnen, de martelaren van Lyon, de martelaren van Scillium en tot slot Perpetua en Felicitas. Dit is, om zo te zeggen, de “harde kern”. De andere namen zijn dubieuzer, wat overigens niet wil zeggen dat er niet meer doden zijn gevallen.

Het is Moss’ boodschap dat de verhalen over de martelaren voor een groot deel mythevorming zijn. Dat is correct. Maar in haar enthousiasme om die boodschap erin te hameren, gaat ze nogal eenzijdig te werk.

Opvallend is bijvoorbeeld dat Moss zich beperkt tot procesverslagen (de “martelaarsakten”). Wat ze daarover schrijft zou perfect zijn als wetenschappelijk artikel over de historische betrouwbaarheid van dat genre, maar The Myth of Persecution gaat niet over teksten maar over historische gebeurtenissen. In zo’n boek mag Ignatius van Antiochië niet ontbreken, over wiens dood geen betrouwbare martelaarsakte bestaat maar die wel een feit is. Weliswaar staat dat feit pas vermeld in vierde-eeuwse bronnen, maar het wordt bevestigd doordat Ignatius’ correspondentie bewaard is gebleven. Nu is de datering daarvan ook weer omstreden, maar je kunt Ignatius niet reduceren tot (als ik goed heb geteld) twee terloopse vermeldingen.

Ook probeert Moss de betrouwbaarheid van de martelaarsakten in twijfel te trekken door te constateren dat ze zijn bewerkt. Dat is correct, maar dat wil nog niet zeggen dat de substantie niet zou kloppen. Denk aan de notulen van een vergadering: de secretaris schrijft ter plekke op wat is gezegd en maakt daar vervolgens een verslag van, maar ondanks deze dubbele bewerking vormt de uiteindelijke tekst een redelijke samenvatting van het besprokene.

Moss wijst er terecht op dat er weinig niet-christelijke bronnen over de vervolgingen zijn en dat dit afbreuk doet aan het denkbeeld dat de christenen massaal zijn vervolgd. Die bronnen zijn er echter wel degelijk. Eén daarvan is Tacitus’ beroemde verslag van de brand in Rome ten tijde van keizer Nero en de executie van degenen die ook volgens Tacitus de brandstichters niet waren (meer).

Bij de behandeling daarvan gaat Moss echter wel heel ver in haar pogingen de mythe te slopen. Ze oppert dat het verhaal weleens onwaar kon zijn omdat er in Nero’s tijd nog geen christenen waren. Nu is het waar dat jodendom en christendom pas laat in de eerste eeuw gescheiden raakten, maar dat wil niet zeggen dat er in de dagen van Nero geen groepen waren die als “christenen” konden worden aangeduid. Het christendom is immers begonnen als joodse stroming met eigen halachische ideeën en het uitgangspunt dat Jezus de messias was geweest. Het woord “christenen” zou je kunnen vertalen als “messiasbelijdende joden”. Er waren dus wel degelijk christenen die geëxecuteerd konden worden, ongeacht of ze een al zelfstandige religie aanhingen.

Overigens noemt de christelijke traditie Petrus en Paulus als slachtoffers van Nero. Moss wijst er terecht op dat daarvoor geen bewijs bestaat.

[Wordt vervolgd]

 

Advertenties