Een nieuw boek

De weg naar Grand, waar Constantijn de Grote zijn visioen zou hebben gehad.

“Ik schrijf nooit meer een boek!” Ik méénde het en dus schreef ik in een noot in Israël verdeeld dat dit mijn laatste boek zou zijn. Voor het soort boeken dat ik heb geschreven is het inderdaad te laat. Het heeft immers weinig zin mensen goed over de Oudheid te informeren zolang er mechanismen zijn waardoor slechte informatie zich sneller verspreidt, zowel online als in boekvorm. Een adequate voorlichting richt zich anno 2017 op Web 3.0, waar artificiële intelligentie mensen helpt betrouwbare informatie te vinden. RomeinenNu werkt momenteel aan zo’n project, waarvan de pilot hopelijk af is in de Romeinenweek 2018.

Dat laat onverlet dat bepaalde soorten boeken nog betekenis hebben. In het algemeen zal er ruimte blijven voor het fraai geïllustreerde koffietafelboek en de elegante vertaling (voor wie van een tekst als tekst wil genieten). In de wetenschapsvoorlichting zal er behoefte blijven aan het traditionele overzichtswerk. Het online-aanbod is immers ongedifferentieerd en geeft niet aan wat belangrijk is en wat niet. In de wetenschapsvoorlichting over de Oudheid ontbreekt bovendien de “tweede lijn”. Zo’n boek heb ik nu in de pen.

Het begon toen een tijdje geleden in Lienden een Frankische goudschat werd ontdekt, waarover ik twee stukken schreef voor het NRC Handelsblad (één en twee). De materie boeide me al een tijdje en daarom besloot ik enkele webpagina’s over de Franken te maken. Zo kwam het dat ik terugkeerde naar een groep teksten waar ik al heel lang niet naar had omgezien, de Panegyrici Latini, een voor laatantiek schoolgebruik aangelegde verzameling redevoeringen waarin de keizer allerlei lof krijgt toegezwaaid.

Omdat de onoprechtheid er nogal dik bovenop ligt, doen classici er soms wat neerbuigend over, maar de Romeinse docent die deze collectie ooit vervaardigde, wist wat hij zijn leerlingen moest voorleggen. Het zijn aardige toespraken, niet overdreven lang, die de leerling confronteerden met problemen waar ze ooit werkelijk mee geconfronteerd zouden kunnen worden. Bovendien bevatten deze redevoeringen veel interessante informatie over gebeurtenissen uit de Late Oudheid.

De als zesde in de collectie opgenomen bundel rede – chronologisch de zevende – bevat dus veel informatie over de Franken. Toen ik ermee bezig was, realiseerde ik me echter dat dit ook de toespraak was waarin voor het eerst het “visioen van Constantijn” werd beschreven. Ook bevat de tekst een verwijzing naar Constantijns Rijnbrug bij Keulen. Ineens zag ik een boekje voor me: een mooi-vertaalde tekst (die bij mijn weten nog nooit integraal in het Nederlands is weergegeven) benutten om aspecten te tonen van het oudheidkundig ambacht. Door die niet als zelfstandig onderwerp te beschrijven, zoals ik deed in De klad in de klassieken, maar door te tonen hoe onderzoek in de praktijk werkt, zullen mensen misschien makkelijker oppikken dat de bestudering van het verleden een wetenschap is. Een professionele opleiding is geen noodzakelijke voorwaarde om een bijdrage te kunnen leveren, maar helpt je wel allerlei voetangels en -klemmen herkennen. Die wil ik in het boekje tonen.

Het groeit snel. Vincent Hunink, met wie ik al vaker heb mogen samenwerken, zou de vertaling eind december afhebben maar had er merkbaar plezier in en had het vorige maand al af. (Ik kan u verklappen dat de tekst sprankelt en fonkelt.) Ik heb het eerste hoofdstuk op hoofdlijnen klaar, waarin ik toon dat een historicus nooit een antieke tekst kan lezen zonder kennis van de archeologie. De etnogenese van de Franken is een geschikt voorbeeld.

Er komen meer vragen aan de orde. Hoe ga je bijvoorbeeld om met een antiek wonderverhaal? In dit geval hebben we het over een visioen, maar wat ik wil vertellen zou ook iets moeten tonen over de omgang met teksten als de genezingen door keizer Vespasianus of de fabeldieren waarover de toch redelijk rationele Plinius de Oudere schrijft. En in het vervolg daarvan: hoe verklaar je de tegenspraak tussen het verslag van het heidense visioen in de in het boek vertaalde toespraak en het door Eusebius beschreven christelijke visioen?

Ik wil ook wijzen op het probleem dat de samensteller van de Panegyrici Latini zal hebben doen besluiten deze toespraak aan zijn leerlingen voor te leggen. De rede is namelijk gehouden ten overstaan van keizer Constantijn en de spreker moest melding maken van de dood van keizer Maximianus, die door Constantijn de dood in was gedreven. De uitschakeling van een vijand was voor een redenaar meestal een fluitje van een cent: wie de totale perversiteit van de overledene wilde tonen, hoefde het retorische receptenboek maar open te trekken om een reeks voorbeelden te vinden. Dit keer was het anders: Constantijn was getrouwd met Fausta, de dochter van Maximianus, en de keizerin was aanwezig bij de redevoering. Hoe ga je dáár als spreker mee om?

De pointe van het boekje is niet de reconstructie van de gebeurtenissen, al zullen de waarschijnlijkheid en onwaarschijnlijkheid van de interpretaties onvermijdelijk aan de orde komen, maar het tonen van wat oudheidkundigen zoal doen. Zoals gezegd ontbreekt het in de wetenschapsvoorlichting over de oude wereld aan een tweede lijn, wat verklaart waarom iedereen zonder vooropleiding meent te kunnen meepraten over de Oudheid. Als je niet uitlegt wat het wetenschappelijke aspect van je vak is, word je werk ook niet als wetenschappelijk herkend.

Hoewel het boek Het visioen van Constantijn zal heten, is de boodschap breder. Het gaat erom dat de lezer begrijpt dat een antieke tekst, iedere antieke tekst, een situatie veronderstelt die we moeten reconstrueren voor we hem überhaupt kunnen gaan lezen. De tekst is één kant van een gesprek waarvan we de andere kant niet horen. Het gesprek is bovendien niet voor onze oren bestemd, want de ouden hielden in hun communicatie geen rekening met eenentwintigste-eeuwse luistervinken.

Het boek wordt uitgegeven door Omniboek en zou in de winkel moeten liggen in de Romeinenweek, dus eind april of begin mei. U kunt het hier alvast in bestelling nemen.

Advertenties